COVID-19 testbeleid: opschalen is opsluiten

In mijn persoonlijke omgeving zie ik diverse werkgevers die personeel verplichten om op kantoor te komen werken. Op het Plein (in Den Haag) was gisteren een heus tentfeest (zonder klompen). En van alle mensen die positief getest zijn op COVID-19 gaat 1 op de 5 gewoon naar de supermarkt. Wat is er toch mis met ons? Hoe komt het dat iedereen wel een beetje klaar lijkt te zijn met de COVID-19 maatregelen?

Dat komt waarschijnlijk deels door hoe de Nederlandse overheid omgaat met het testen op COVID-19. Lees het artikel eens van het NRC over fout-positieve testuitslagen. Kort samengevat wordt daarin uitgelegd dat als je bizar veel gaat testen er veel meer vals-positieve uitslagen zijn. En al die vals-positieve mensen zetten wij in quarantaine. En hun gezinsleden ook.

In onderstaande grafiek zie je het aantal onterecht in quarantaine gehouden mensen van de afgelopen weken. Sinds 1 juni hebben er bijna 50.000 personen onterecht in quarantaine gezeten. En de komende maand neemt dat aantal met ruim 26.000 toe, omdat ook de testcapaciteit nog steeds toeneemt.

Tot eind december wordt de testcapaciteit opgeschaald naar 80.000 tests per dag. Op dat moment zijn er al meer dan 130.000 personen onterecht in quarantaine geweest en komen daar per maand bijna 50.000 personen (inclusief hun gezinsleden) bij. Ter vergelijking: ‘s-Hertogenbosch heeft 110.000 inwoners en Houten 50.000…

Eind december 2020 moeten bijna 12.000 personen per week onterecht in quarantaine.

En al deze mensen denken immuun te zijn of hebben weinig zin om nogmaals in quarantaine te gaan. Over het algemeen noemen oude en bange mensen dergelijk gedrag ‘wangedrag’.

Logische verklaring voor een deel van het ‘wangedrag’ is dus het hoge aantal tests en de impact die fout-positieve uitslagen hebben op het leven van een steeds groter deel van de bevolking. En dan zijn er natuurlijk ook nog andere redenen waarom het draagvlak voor de COVID-maatregelen van Rutte-III afbrokkelt. Velen vinden het immers niet makkelijk uit te leggen dat meer dan de helft van de bevolking zijn vrijheid in moet leveren om de andere helft (die al een heel leven van vrijheid achter zich heeft) te beschermen tegen een ziekte die statistisch gezien niet veel gevaarlijker lijkt te zijn dan de seizoensgriep.